1
werkwoord[T, I]
De echtgenoot, echtgenote of partner van iemand worden; met iemand in het huwelijk treden.
/ˈmæri/
Uitspraak
Etymologie
From Middle English marien, from Old French marier, from Latin maritare, from maritus meaning “husband” or “married.”
Voorbeelden
She plans to marry her longtime partner next spring.
/ʃi plænz tə ˈmæri hɚ ˈlɔŋˌtaɪm ˈpɑrtnɚ nɛkst sprɪŋ/
Ze is van plan om volgende lente met haar langdurige partner te trouwen.
They married in a small village church.
/ðeɪ ˈmærid ɪn ə smɔl ˈvɪlɪdʒ tʃɝtʃ/
Ze zijn getrouwd in een kleine dorpskerk.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd