1
zelfstandig naamwoord[C, U]
Het vroege deel van de dag, vooral de periode van zonsopgang tot de middag.
/ˈmɔːrnɪŋ/
Uitspraak
Etymologie
From Old English morgen, meaning “morning,” from a Germanic root related to German Morgen.
Voorbeelden
I go for a run every morning.
/aɪ ɡoʊ fər ə rʌn ˈɛvri ˈmɔːrnɪŋ/
Ik ga elke ochtend hardlopen.
The meeting is scheduled for Monday morning.
/ðə ˈmiːtɪŋ ɪz ˈskɛdʒuːld fər ˈmʌndeɪ ˈmɔːrnɪŋ/
De vergadering staat gepland voor maandagochtend.
Collocaties
AI-gegenereerd