1
zelfstandig naamwoord[C]
Een klein vliegend insect waarvan de vrouwtjes mensen en dieren steken om zich met bloed te voeden en dat ziekten kan overbrengen.
/məˈskiːtoʊ/
Uitspraak
Etymologie
Van Spaans mosquito, verkleinwoord van mosca, wat ‘vlieg’ betekent, uit het Latijn musca.
Voorbeelden
A mosquito buzzed near my ear all night.
/ə məˈskiːtoʊ bʌzd nɪr maɪ ɪr ɔːl naɪt/
Een mug zoemde de hele nacht bij mijn oor.
Mosquitoes can spread diseases such as malaria.
/məˈskiːtoʊz kæn spred dɪˈziːzɪz sʌtʃ æz məˈleriə/
Muggen kunnen ziekten zoals malaria verspreiden.
She slept under a mosquito net.
/ʃi slept ˈʌndər ə məˈskiːtoʊ net/
Ze sliep onder een klamboe.
Synoniemen
Collocaties
mosquito bite
mosquito net
mosquito repellent
mosquito larva
mosquito-borne disease
AI-gegenereerd