1
zelfstandig naamwoord[C]
Opening in het gezicht waardoor een persoon of dier eet, ademt en geluiden maakt; de mondholte.
/maʊθ/
Uitspraak
Etymologie
From Old English mūþ, of Germanic origin; related to German Mund and Dutch mond.
Voorbeelden
She covered her mouth while coughing.
/ʃi ˈkʌvərd hər maʊθ waɪl ˈkɔːfɪŋ/
Ze hield haar mond bedekt terwijl ze hoestte.
Open your mouth and say ah.
/ˈoʊpən jʊr maʊθ ænd seɪ ɑː/
Doe je mond open en zeg ah.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd