1
zelfstandig naamwoord[U]
De fysieke wereld en alles daarin wat niet door mensen is gemaakt, zoals planten, dieren, bergen, rivieren en het weer.
/ˈneɪtʃər/
Uitspraak
Etymologie
From Middle English nature, from Old French nature, from Latin nātūra, meaning “birth, character, the course of things,” from nātus, past participle of nāscī, “to be born.”
Voorbeelden
We spent the weekend hiking in nature.
/wi spɛnt ðə ˈwiːkˌɛnd ˈhaɪkɪŋ ɪn ˈneɪtʃər/
We hebben het weekend doorgebracht met wandelen in de natuur.
Nature provides habitats for countless species.
/ˈneɪtʃər prəˈvaɪdz ˈhæbəˌtæts fər ˈkaʊntləs ˈspiːʃiz/
De natuur biedt leefgebieden aan talloze soorten.
Antoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd