1
zelfstandig naamwoord[C]
Een persoon die dicht bij of naast een andere persoon woont.
/ˈneɪbər/
Uitspraak
Etymologie
Van het Oudengelse nēahgebūr, met de betekenis “iemand die in de buurt woont”, van nēah “dichtbij” + gebūr “bewoner, boer”.
Voorbeelden
My neighbor waters our plants when we are away.
/maɪ ˈneɪbər ˈwɔtərz aʊər plænts wɛn wi ɑr əˈweɪ/
Mijn buur geeft onze planten water wanneer we weg zijn.
The restaurant is popular with neighbors from the surrounding streets.
/ðə ˈrɛstərɑnt ɪz ˈpɑpjələr wɪð ˈneɪbərz frəm ðə səˈraʊndɪŋ strits/
Het restaurant is populair bij buren uit de omliggende straten.
Synoniemen
Antoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd