1
zelfstandig naamwoord[C]
Een constructie of plaats die een vogel maakt of kiest om eieren te leggen en zijn jongen te beschermen.
/nɛst/
Uitspraak
Etymologie
From Old English nest, of Germanic origin; related to German Nest and Dutch nest.
Voorbeelden
The robin built a nest in the hedge.
/ðə ˈrɑːbɪn bɪlt ə nɛst ɪn ðə hɛdʒ/
De roodborst bouwde een nest in de heg.
The chicks were safe in the nest.
/ðə tʃɪks wɝ seɪf ɪn ðə nɛst/
De kuikens waren veilig in het nest.
Collocaties
AI-gegenereerd