1
zelfstandig naamwoord[C]
Een opgeleide persoon die tot taak heeft zieken of gewonden te verzorgen, vooral in een ziekenhuis of kliniek.
/nɝːs/
Uitspraak
Etymologie
From Middle English norice, from Old French nourrice, from Latin nutricia, related to nutrire, meaning 'to nourish'.
Voorbeelden
The nurse checked my blood pressure.
/ðə nɝːs tʃɛkt maɪ blʌd ˈprɛʃɚ/
De verpleegkundige heeft mijn bloeddruk gemeten.
A nurse will explain the procedure.
/ə nɝːs wɪl ɪkˈspleɪn ðə prəˈsiːdʒɚ/
Een verpleegkundige zal de procedure uitleggen.
Collocaties
AI-gegenereerd