1
zelfstandig naamwoord[C]
Het bedrag dat betaald moet worden om iets te kopen.
/praɪs/
Uitspraak
Etymologie
Middelengels pris, uit het Oudfranse pris, uit het Latijn pretium, wat ‘waarde, waard, prijs’ betekent.
Voorbeelden
The price of bread has gone up again.
/ðə praɪs əv brɛd hæz ɡɒn ʌp əˈɡɛn/
De prijs van brood is weer gestegen.
House prices have risen sharply this year.
/haʊs ˈpraɪsɪz hæv ˈrɪzən ˈʃɑːrpli ðɪs jɪr/
De huizenprijzen zijn dit jaar sterk gestegen.
Collocaties
AI-gegenereerd