1
bijvoeglijk naamwoordplezier of voldoening voelen door iets wat men heeft gedaan, bezit of waarmee men verbonden is
/praʊd/
Uitspraak
Etymologie
Van het Oudengels prūd, waarschijnlijk beïnvloed door het Oudfranse prud of prod, met de betekenis “dapper, moedig, uitstekend.”
Voorbeelden
She was proud of her daughter's courage.
/ʃi wəz praʊd əv hɝ ˈdɔtɚz ˈkɝɪdʒ/
Zij was trots op de moed van haar dochter.
He felt proud after finishing the race.
/hi fɛlt praʊd ˈæftɚ ˈfɪnɪʃɪŋ ðə reɪs/
Hij voelde zich trots nadat hij de race had voltooid.
Collocaties
AI-gegenereerd