1
werkwoord[I]
Teruggaan of terugkomen naar een plaats, persoon of toestand.
/rɪˈtɝːn/
Uitspraak
Etymologie
Van het Middelengelse returnen, van het Oudfranse retourner, van re- ‘terug, opnieuw’ + tourner ‘draaien’.
Voorbeelden
She will return home tomorrow.
/ʃi wɪl rɪˈtɝːn hoʊm təˈmɑːroʊ/
Zij zal morgen naar huis terugkeren.
After a long trip, they returned to the village.
/ˈæftɚ ə lɔːŋ trɪp ðeɪ rɪˈtɝːnd tə ðə ˈvɪlɪdʒ/
Na een lange reis keerden zij terug naar het dorp.
Collocaties
AI-gegenereerd