1
zelfstandig naamwoord[C]
Iemand die een kamer, vooral een slaapkamer, deelt met een ander.
/ˈruːm.meɪt/
Uitspraak
Etymologie
A compound of room and mate, meaning a companion or person one shares a room with.
Voorbeelden
My roommate cooked dinner for us.
/maɪ ˈruːm.meɪt kʊkt ˈdɪnər fər ʌs/
Mijn huisgenoot heeft voor ons gekookt.
She found a new roommate before the semester began.
/ʃi faʊnd ə nuː ˈruːm.meɪt bɪˈfɔːr ðə səˈmestər bɪˈɡæn/
Ze vond vóór het begin van het semester een nieuwe huisgenoot.
Collocaties
AI-gegenereerd