1
werkwoord[T]
Iets aan iemand geven in ruil voor geld.
/sɛl/
Uitspraak
Etymologie
Van het Oudengelse sellan, dat “geven, overhandigen, afleveren” betekende, uit het Proto-Germaans.
Voorbeelden
They sell fresh bread every morning.
/ðeɪ sɛl frɛʃ brɛd ˈɛvri ˈmɔrnɪŋ/
Ze verkopen elke ochtend vers brood.
We need to sell the car before we move.
/wi nid tə sɛl ðə kɑr bɪˈfɔr wi muv/
We moeten de auto verkopen voordat we verhuizen.
Collocaties
AI-gegenereerd