1
werkwoord[I]
Onder het oppervlak van water of een andere vloeistof gaan; ondergedompeld raken.
/sɪŋk/
Uitspraak
Etymologie
Uit het Oudengels sincan, met de betekenis ‘zinken, ondergedompeld raken’; verwant aan het Duitse sinken.
Voorbeelden
The boat began to sink after hitting the rocks.
/ðə boʊt bɪˈɡæn tə sɪŋk ˈæftər ˈhɪtɪŋ ðə rɑːks/
De boot begon te zinken nadat hij op de rotsen was gevaren.
Don't let the keys sink to the bottom of the pool.
/doʊnt lɛt ðə kiːz sɪŋk tə ðə ˈbɑːtəm əv ðə puːl/
Laat de sleutels niet naar de bodem van het zwembad zinken.
Collocaties
AI-gegenereerd