1
zelfstandig naamwoord[C]
Een eet- of kookgerei met aan het uiteinde van een steel een kleine, ondiepe kom.
/spuːn/
Uitspraak
Etymologie
Van het Oudengelse spōn, oorspronkelijk met de betekenis ‘spaander’ of ‘splinter’, later gebruikt voor een gebruiksvoorwerp van een stuk hout.
Voorbeelden
She stirred the soup with a wooden spoon.
/ʃi stɝːd ðə suːp wɪð ə ˈwʊdən spuːn/
Ze roerde de soep met een houten lepel.
Put a spoon beside each bowl.
/pʊt ə spuːn bɪˈsaɪd iːtʃ boʊl/
Leg een lepel naast elk bord.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd