1
zelfstandig naamwoord[C]
iemands echtgenoot of echtgenote.
/spaʊs/
Uitspraak
Etymologie
Van Oudfrans espous of espouse, uit Latijn sponsus of sponsa, ‘verloofd’ of ‘echtgenoot/echtgenote’, van spondēre, ‘een belofte doen’.
Voorbeelden
Employees may add a spouse to their health insurance plan.
/ɛmˈplɔɪiz meɪ æd ə spaʊs tə ðɛr hɛlθ ɪnˈʃʊrəns plæn/
Werknemers kunnen een echtgenoot/echtgenote toevoegen aan hun zorgverzekering.
Her spouse attended the ceremony with her.
/hɝ spaʊs əˈtɛndɪd ðə ˈsɛrəˌmoʊni wɪð hɝ/
Haar echtgenoot/echtgenote woonde de ceremonie samen met haar bij.
The law grants certain rights to a surviving spouse.
/ðə lɔ ɡrænts ˈsɝtən raɪts tə ə sərˈvaɪvɪŋ spaʊs/
De wet verleent een langstlevende echtgenoot bepaalde rechten.
Collocaties
AI-gegenereerd