1
zelfstandig naamwoord[C, U]
Het seizoen tussen de winter en de zomer, wanneer planten beginnen te groeien en het warmer wordt.
/sprɪŋ/
Uitspraak
Etymologie
Van het Oudengelse springan, ‘springen, tevoorschijn barsten, oprijzen’; de seizoensbetekenis ontwikkelde zich vanuit het idee van planten die opschieten.
Voorbeelden
Spring is my favorite season.
/sprɪŋ ɪz maɪ ˈfeɪvərɪt ˈsiːzən/
De lente is mijn favoriete seizoen.
We planted tulips in the spring.
/wi ˈplæntɪd ˈtuːlɪps ɪn ðə sprɪŋ/
We plantten tulpen in de lente.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd