1
zelfstandig naamwoord[C, U]
Een dikke, platte plak rundvlees, meestal gesneden uit de beste delen van het dier en bereid door te grillen, bakken of onder de grill te bereiden.
/steɪk/
Uitspraak
Etymologie
Van het Middelengelse steike, uit het Oudnoorse steik, met de betekenis geroosterd vlees, verwant aan steikja, met de betekenis roosteren.
Voorbeelden
He ordered a rare steak for dinner.
/hi ˈɔːrdərd ə rɛr steɪk fər ˈdɪnər/
Hij bestelde een rare biefstuk voor het avondeten.
The steak was grilled over charcoal.
/ðə steɪk wəz ɡrɪld ˈoʊvər ˈtʃɑːrkoʊl/
De biefstuk werd boven houtskool gegrild.
Collocaties
AI-gegenereerd