1
zelfstandig naamwoord[C, U]
Het warmste seizoen van het jaar, tussen de lente en de herfst.
/ˈsʌmər/
Uitspraak
Etymologie
From Old English sumor, from Proto-Germanic *sumaraz.
Voorbeelden
Summer is my favorite season.
/ˈsʌmər ɪz maɪ ˈfeɪvərɪt ˈsiːzən/
De zomer is mijn favoriete seizoen.
The garden is full of flowers in summer.
/ðə ˈɡɑːrdən ɪz fʊl əv ˈflaʊərz ɪn ˈsʌmər/
In de zomer staat de tuin vol bloemen.
Synoniemen
Antoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd