1
werkwoordWerkwoord [T, I]
Zich door water voortbewegen door het lichaam te bewegen, vooral de armen en benen.
/swɪm/
Uitspraak
Etymologie
Oudengels swimman, van Proto-Germaans *swimmaną, met de betekenis ‘zwemmen’ of ‘drijven’.
Voorbeelden
The children swim in the lake every summer.
/ðə ˈtʃɪldrən swɪm ɪn ðə leɪk ˈɛvri ˈsʌmər/
De kinderen zwemmen elke zomer in het meer.
She learned to swim when she was six.
/ʃi lɜrnd tə swɪm wɛn ʃi wəz sɪks/
Ze leerde zwemmen toen ze zes was.
He plans to swim the Channel next year.
/hi plænz tə swɪm ðə ˈtʃænəl nɛkst jɪr/
Hij is van plan volgend jaar het Kanaal over te zwemmen.
Collocaties
AI-gegenereerd