1
zelfstandig naamwoord[C]
Een apparaat om een elektrische verbinding te maken, te onderbreken of te wijzigen, of om een machine of lamp aan of uit te zetten.
/swɪtʃ/
Uitspraak
Etymologie
Van het Middelengels swich, switche, oorspronkelijk verwijzend naar een buigbaar twijgje of stok; de betekenis ontwikkelde zich bij uitbreiding tot apparaten waarmee iets wordt omgeschakeld of bediend.
Voorbeelden
Flip the switch by the door when you leave.
/flɪp ðə swɪtʃ baɪ ðə dɔːr wen juː liːv/
Zet de schakelaar bij de deur om als je weggaat.
The power switch is on the back of the computer.
/ðə ˈpaʊər swɪtʃ ɪz ɑːn ðə bæk əv ðə kəmˈpjuːtər/
De aan/uit-schakelaar zit aan de achterkant van de computer.
Collocaties
AI-gegenereerd