1
zelfstandig naamwoord[C]
Een meubelstuk met een plat blad en een of meer poten, gebruikt om aan te eten, te werken of dingen op te zetten.
/ˈteɪbəl/
Uitspraak
Etymologie
Uit het Middelengels table, uit het Oudfrans table, uit het Latijn tabula, met de betekenis ‘plank, bord, schrijftablet’.
Voorbeelden
The table in the kitchen is made of oak.
/ðə ˈteɪbəl ɪn ðə ˈkɪtʃən ɪz meɪd əv oʊk/
De tafel in de keuken is van eikenhout.
Please put the plates on the table.
/pliːz pʊt ðə pleɪts ɑn ðə ˈteɪbəl/
Zet de borden alstublieft op tafel.
Collocaties
AI-gegenereerd