1
zelfstandig naamwoord[C]
De buigzame aanhangsel aan de achterkant van het lichaam van een dier, of een soortgelijke uitsteeksel bij een vogel, vis of insect.
/teɪl/
Uitspraak
Etymologie
Oudengels tægel, tægl, van Germaanse oorsprong; verwant aan Nederlands staart en Duits Zagel.
Voorbeelden
The dog wagged its tail happily.
/ðə dɔɡ wæɡd ɪts teɪl ˈhæpəli/
De hond kwispelde vrolijk met zijn staart.
A comet's tail glowed faintly in the night sky.
/ə ˈkɑːməts teɪl ɡloʊd ˈfeɪntli ɪn ðə naɪt skaɪ/
De staart van een komeet gloeide zwak aan de nachtelijke hemel.
Synoniemen
Antoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd