1
zelfstandig naamwoord[C]
een examen van iemands kennis, vaardigheid of bekwaamheid
/tɛst/
Uitspraak
Etymologie
Van Middelengels test, uiteindelijk van Latijn testa, ‘aardewerken pot’ of ‘schelp’; de betekenis ontwikkelde zich via het idee van een proefvat waarmee de kwaliteit werd bepaald.
Voorbeelden
I have a math test tomorrow.
/aɪ hæv ə mæθ tɛst təˈmɑroʊ/
Ik heb morgen een wiskundetoets.
She studied all night for the test.
/ʃi ˈstʌdid ɔl naɪt fɔr ðə tɛst/
Ze studeerde de hele nacht voor de toets.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd