1
zelfstandig naamwoord[C]
De korte, dikke eerste vinger van de menselijke hand, lager en los van de andere vingers geplaatst en er tegenoverstelbaar aan.
/θʌm/
Uitspraak
Etymologie
Oudengels þūma, van Germaanse oorsprong, verwant aan woorden die ‘opzwellen’ of ‘dik deel’ betekenen.
Voorbeelden
The baby sucked her thumb.
/ðə ˈbeɪbi sʌkt hɝ θʌm/
De baby zoog op haar duim.
She burned her thumb on the pan.
/ʃi bɝnd hɝ θʌm ɑn ðə pæn/
Ze verbrandde haar duim aan de pan.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd