1
zelfstandig naamwoord[C]
Het zachte, beweeglijke orgaan in de mond dat wordt gebruikt om te proeven, te slikken en spraakklanken te vormen.
/tʌŋ/
Uitspraak
Etymologie
Van het Oudengelse tunge, van Germaanse oorsprong; verwant aan het Nederlandse tong en het Duitse Zunge.
Voorbeelden
She burned her tongue on the hot soup.
/ʃi bɝːnd hɚ tʌŋ ɑn ðə hɑt sup/
Ze verbrandde haar tong aan de hete soep.
The doctor asked him to stick out his tongue.
/ðə ˈdɑktɚ æskt hɪm tə stɪk aʊt hɪz tʌŋ/
De dokter vroeg hem zijn tong uit te steken.
Collocaties
AI-gegenereerd