1
zelfstandig naamwoord[C]
Een reis voor het plezier, vooral een waarbij meerdere plaatsen worden bezocht.
/tʊr, tɔːr/
Uitspraak
Etymologie
Van het Oudfranse tour, in de betekenis ‘draai, omloop’, uit het Latijn tornus, ‘draaibank’; verwant aan het idee van rondgaan of een omloop maken.
Voorbeelden
They took a tour of Italy last summer.
/ðeɪ tʊk ə tʊr əv ˈɪtəli læst ˈsʌmər/
Ze maakten vorige zomer een rondreis door Italië.
We booked a cycling tour through the countryside.
/wi bʊkt ə ˈsaɪklɪŋ tʊr θru ðə ˈkʌntrisaɪd/
We boekten een fietstocht door het platteland.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd