1
zelfstandig naamwoord[U]
Het proces van het aanleren of leren van de vaardigheden, kennis of conditie die nodig zijn voor een baan, activiteit of sport.
/ˈtreɪnɪŋ/
Uitspraak
Etymologie
Van het werkwoord train + -ing; train komt via het Oudfranse trainer, oorspronkelijk met de betekenis ‘trekken’ of ‘slepen’.
Voorbeelden
Training begins on Monday.
/ˈtreɪnɪŋ bɪˈɡɪnz ɑn ˈmʌndeɪ/
De training begint op maandag.
She needs more training before she can operate the machine.
/ʃi nidz mɔr ˈtreɪnɪŋ bɪˈfɔr ʃi kæn ˈɑpəˌreɪt ðə məˈʃin/
Ze heeft meer training nodig voordat ze de machine kan bedienen.
Collocaties
AI-gegenereerd