1
zelfstandig naamwoord[C]
Een elektrisch passagiersvoertuig dat rijdt op rails in stadsstraten of op een vrijliggend tracé.
/træm/
Uitspraak
Etymologie
Oorspronkelijk een Schots en Noord-Engels woord voor een schacht of kruiwagen, waarschijnlijk van het Middelnederlandse tram, dat 'balk' of 'handvat' betekent; later toegepast op spoorvoertuigen.
Voorbeelden
We took the tram into the city center.
/wi tʊk ðə træm ˈɪntu ðə ˈsɪti ˈsɛntər/
We namen de tram naar het stadscentrum.
A new tram line opened last week.
/ə nu træm laɪn ˈoʊpənd læst wik/
Vorige week werd een nieuwe tramlijn geopend.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd