1
zelfstandig naamwoord[U]
dingen die niet meer gewenst of bruikbaar zijn en worden weggegooid; afval of vuilnis
/træʃ/
Uitspraak
Etymologie
Late Middle English, probably from a Scandinavian source; originally referring to fallen leaves, twigs, or refuse.
Voorbeelden
Please take the trash out before you leave.
/pliːz teɪk ðə træʃ aʊt bɪˈfɔːr juː liːv/
Zet het afval alsjeblieft buiten voordat je weggaat.
The beach was covered with plastic trash after the storm.
/ðə biːtʃ wəz ˈkʌvərd wɪð ˈplæstɪk træʃ ˈæftər ðə stɔːrm/
Het strand lag na de storm vol plastic afval.
Collocaties
AI-gegenereerd