1
zelfstandig naamwoord[C]
Een bak voor afval of ongewenst materiaal, vooral huishoudelijk afval.
/ˈtræʃ ˌkæn/
Uitspraak
Etymologie
Van trash, dat afval of vuilnis betekent, en can, dat een container betekent.
Voorbeelden
Please put the banana peel in the trash can.
/ˈpliːz pʊt ðə bəˈnænə piːl ɪn ðə ˈtræʃ ˌkæn/
Doe de bananenschil alstublieft in de prullenbak.
The trash can by the desk is full.
/ðə ˈtræʃ ˌkæn baɪ ðə ˈdɛsk ɪz fʊl/
De prullenbak naast het bureau zit vol.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd