1
zelfstandig naamwoord[C]
Een hoge plant met een houtachtige stam, takken en bladeren, die doorgaans vele jaren leeft.
/triː/
Uitspraak
Etymologie
Van het Oudengelse trēow, met de betekenis “boom” of “hout”, van Germaanse oorsprong.
Voorbeelden
A large oak tree stood by the river.
/ə lɑːrdʒ oʊk triː stʊd baɪ ðə ˈrɪvər/
Een grote eik stond bij de rivier.
She planted three trees in the garden.
/ʃiː ˈplæntɪd θriː triːz ɪn ðə ˈɡɑːrdən/
Ze plantte drie bomen in de tuin.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd