1
zelfstandig naamwoord[C]
Een officiële toestemming of een officieel document waarmee iemand een vreemd land voor een bepaald doel of gedurende een bepaalde periode mag binnenkomen, verlaten of er verblijven.
/ˈviːzə/
Uitspraak
Etymologie
Uit het Franse visa, uit het Latijnse charta visa, letterlijk ‘papier dat gezien is’, van videre, ‘zien’.
Voorbeelden
She applied for a visa before traveling to India.
/ʃi əˈplaɪd fər ə ˈviːzə bɪˈfɔːr ˈtrævəlɪŋ tu ˈɪndiə/
Ze vroeg een visum aan voordat ze naar India reisde.
His student visa expires in June.
/hɪz ˈstuːdənt ˈviːzə ɪkˈspaɪərz ɪn dʒuːn/
Zijn studentenvisum verloopt in juni.
You may need a visa to work abroad.
/ju meɪ niːd ə ˈviːzə tə wɝːk əˈbrɔːd/
Je hebt misschien een visum nodig om in het buitenland te werken.
Collocaties
AI-gegenereerd