1
zelfstandig naamwoord[U]
Een heldere vloeistof, essentieel voor het leven, die als regen valt en voorkomt in rivieren, meren, zeeën en levende wezens.
/ˈwɔːtər/
Uitspraak
Etymologie
Uit het Oudengels wæter, uit het Proto-Germaanse *watōr, uiteindelijk verwant aan soortgelijke woorden in andere Indo-Europese talen.
Voorbeelden
Please drink more water on hot days.
/pliːz drɪŋk mɔːr ˈwɔːtər ɑːn hɑːt deɪz/
Drink op warme dagen meer water.
The lake's water was clear and cold.
/ðə leɪks ˈwɔːtər wəz klɪr ənd koʊld/
Het water van het meer was helder en koud.
Collocaties
AI-gegenereerd