1
zelfstandig naamwoord[C]
Een periode van zeven dagen.
/wiːk/
Uitspraak
Etymologie
Uit het Oudengels wucu of wice, uit het Proto-Germaans *wikōn, met de betekenis ‘opeenvolging’ of ‘verandering’.
Voorbeelden
The conference lasts one week.
/ðə ˈkɑːnfərəns læsts wʌn wiːk/
Het congres duurt één week.
There are seven days in a week.
/ðer ɑːr ˈsevən deɪz ɪn ə wiːk/
Er zijn zeven dagen in een week.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd