1
zelfstandig naamwoord[C]
Een opening in de muur of het dak van een gebouw, voertuig of andere constructie, meestal voorzien van glas, waardoor licht of lucht binnenkomt en waardoor mensen naar buiten kunnen kijken.
/ˈwɪn.doʊ/
Uitspraak
Etymologie
Van het Oudnoors vindauga, letterlijk ‘windoog’, van vindr ‘wind’ + auga ‘oog’.
Voorbeelden
She opened the window to let in some fresh air.
/ʃi ˈoʊ.pənd ðə ˈwɪn.doʊ tə lɛt ɪn səm frɛʃ ɛr/
Ze opende het raam om wat frisse lucht binnen te laten.
The cat sat on the windowsill and looked through the window.
/ðə kæt sæt ɑn ðə ˈwɪn.doʊˌsɪl ænd lʊkt θru ðə ˈwɪn.doʊ/
De kat zat op de vensterbank en keek door het raam.
Collocaties
AI-gegenereerd