1
zelfstandig naamwoord[C, U]
De koudste jaargetijde van het jaar, tussen de herfst en de lente.
/ˈwɪn.tər/
Uitspraak
Etymologie
Uit het Oudengels winter, van Germaanse oorsprong; verwant aan Nederlands winter en Duits Winter.
Voorbeelden
Winter is the coldest season in many countries.
/ˈwɪn.tər ɪz ðə ˈkoʊl.dəst ˈsiː.zən ɪn ˈmɛn.i ˈkʌn.triz/
De winter is in veel landen het koudste seizoen.
We moved to Canada last winter.
/wiː muːvd tə ˈkæn.ə.də læst ˈwɪn.tər/
We verhuisden afgelopen winter naar Canada.
Synoniemen
Antoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd