1
zelfstandig naamwoord[C]
Een wilde vleesetende zoogdier uit de hondenfamilie, dat doorgaans in roedels leeft en jaagt.
/wʊlf/
Uitspraak
Etymologie
Uit het Oudengels wulf, uit het Proto-Germaans *wulfaz, uiteindelijk uit het Proto-Indo-Europees *wĺ̥kʷos.
Voorbeelden
The wolf howled at the edge of the forest.
/ðə wʊlf haʊld æt ði ɛdʒ əv ðə ˈfɔːrɪst/
De wolf huilde aan de rand van het bos.
A lone wolf crossed the snowy road.
/ə loʊn wʊlf krɔːst ðə ˈsnoʊi roʊd/
Een eenzame wolf stak de besneeuwde weg over.
Collocaties
AI-gegenereerd