1
zelfstandig naamwoordDe toestand van levend zijn; het bestaan van een wezen van geboorte tot dood.
/ˈvi.vo/
Voorbeelden
Li rakontis pri sia tuta vivo.
Hij vertelde over zijn hele leven.
Ni ĝuu la vivon!
Laten we van het leven genieten!
Antoniemen
AI-gegenereerd