1
zelfstandig naamwoord[C]
Een mannelijke vriend; een persoon met wie men een band van genegenheid, vertrouwen of kameraadschap heeft.
amígo
Uitspraak
Etymologie
From Latin amīcus, meaning “friend,” related to amāre, “to love.”
Voorbeelden
Mi amigo vive en Madrid.
Mi amígo víve en Madríd.
Mijn vriend woont in Madrid.
Es un buen amigo de la familia.
Es un buén amígo de la família.
Hij is een goede vriend van de familie.
Collocaties
AI-gegenereerd