1
bijvoeglijk naamwoordmannelijk enkelvoud; vrouwelijk anciana; meervoud ancianos/ancianas
Oud of op hoge leeftijd, vooral gezegd van een persoon op gevorderde leeftijd.
anciáno
Uitspraak
Etymologie
Van het Oudspaanse anciano, waarschijnlijk uit het Vulgair Latijn *antianus, verwant aan het Latijn ante, ‘vóór’, dus ‘degene die eerder kwam’.
Voorbeelden
Mi abuelo está anciano, pero conserva buen humor.
Mi abuélo está anciáno, péro consérva buén humór.
Mijn grootvader is bejaard, maar hij houdt zijn goede humeur.
El perro anciano dormía junto a la ventana.
El pérro anciáno dormía júnto a la ventána.
De oude hond sliep naast het raam.
Synoniemen
Antoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd