1
zelfstandig naamwoord[U]
Gevoel van genegenheid, sympathie of tederheid voor iemand of iets.
caríño
Uitspraak
Etymologie
From Spanish caro, meaning “dear” or “beloved,” ultimately from Latin carus, with a Romance noun-forming suffix.
Voorbeelden
Le tengo mucho cariño a mi abuela.
Le téngo múcho caríño a mi abuéla.
Ik heb veel genegenheid voor mijn grootmoeder.
Lo hizo con cariño.
Lo hízo con caríño.
Hij deed het met zorg en genegenheid.
Collocaties
AI-gegenereerd