1
zelfstandig naamwoord[U]
vertrouwen of zekerheid in een persoon, ding of situatie; het geloof dat iemand of iets betrouwbaar is.
confiánza
Uitspraak
Etymologie
Van het Spaanse confiar ‘vertrouwen’ + -anza, uiteindelijk van Latijn confidere ‘vertrouwen, steunen op’.
Voorbeelden
Tengo confianza en mis amigos.
Téngo confiánza en mis amígos.
Ik vertrouw mijn vrienden.
La confianza se gana con el tiempo.
La confiánza se gána con el tiémpo.
Vertrouwen wordt in de loop van de tijd verdiend.
Synoniemen
Antoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd