1
zelfstandig naamwoord[C, U]
Hoop; het gevoel of de overtuiging dat iets wenselijks kan gebeuren.
esperánza
Uitspraak
Etymologie
From Spanish esperar (“to hope, to wait”), ultimately from Latin spērāre (“to hope”), with the noun-forming suffix -anza.
Voorbeelden
No pierdas la esperanza.
No piérdas la esperánza.
Verlies de hoop niet.
Siempre mantuvo la esperanza de volver a casa.
Siémpre mantúvo la esperánza de volvér a cása.
Hij bleef altijd hopen om naar huis terug te keren.
Synoniemen
Antoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd