1
zelfstandig naamwoord[C] mannelijk
Een thuis; de plek waar men woont, vooral gezien als een plaats van gezinsleven, warmte en geborgenheid.
hogár
Uitspraak
Etymologie
Uit het Oudspaans fogar, verwant aan het Latijnse focus, dat ‘haard, open haard’ betekent; de beginletter f werd later in veel Spaanse woorden een h.
Voorbeelden
Mi hogar está cerca del parque.
Mí hogár está cérca del párque.
Mijn thuis ligt dicht bij het park.
Después de viajar, volvió al hogar.
Después de viajár, volvió al hogár.
Na het reizen keerde hij terug naar huis.
Collocaties
AI-gegenereerd