1
zelfstandig naamwoord[C, U]
Een gevoel van hoop, opwinding of gespannen verwachting over iets wenselijks.
ilusión
Uitspraak
Etymologie
From Latin illūsiō, illūsiōnem, meaning ‘mockery, deception, illusion’, from illūdere ‘to play with, deceive’.
Voorbeelden
Me hace mucha ilusión verte mañana.
Me háce múcha ilusión vérte mañána.
Ik kijk er erg naar uit je morgen te zien.
Perdió la ilusión de ser artista.
Perdió la ilusión de sér artísta.
Ze verloor de droom om kunstenares te worden.
Synoniemen
Antoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd