1
zelfstandig naamwoord[U]
Boter; een zacht, vet zuivelproduct dat wordt gemaakt door room te karnen, en dat wordt gebruikt om te smeren, te koken en te bakken.
mantequílla
Uitspraak
Etymologie
Van Spaans manteca, met het verkleiningsachtervoegsel -illa; oorspronkelijk met de betekenis van een kleine of fijne vorm van vet of boter.
Voorbeelden
Pongo mantequilla en las tostadas.
Póngo mantequílla en las tostádas.
Ik doe boter op de toast.
La mantequilla se derritió con el calor.
La mantequílla se derritió con el calór.
De boter smolt door de warmte.
Necesitamos mantequilla para hacer el pastel.
Necesitámos mantequílla para hacér el pastél.
We hebben boter nodig om de cake te maken.
Synoniemen
Collocaties
mantequilla derretida
mantequilla sin sal
mantequilla salada
untar mantequilla
pan con mantequilla
AI-gegenereerd