1
zelfstandig naamwoord[C]; mannelijk; vrouwelijk: kleindochter
Een kleinzoon; een mannelijk kind van iemands zoon of dochter.
niéto
Uitspraak
Etymologie
Van het Latijnse nepos, nepotis, met de betekenis ‘kleinzoon, afstammeling’ en ook ‘neef’.
Voorbeelden
Mi nieto tiene cinco años.
Mi niéto tiéne cínco áños.
Mijn kleinzoon is vijf jaar oud.
El nieto de Ana vive en Madrid.
El niéto de Ána víve en Madríd.
De kleinzoon van Ana woont in Madrid.
Su nieto mayor estudia medicina.
Su niéto mayór estúdia medicína.
Haar oudste kleinzoon studeert geneeskunde.
Synoniemen
Antoniemen
Collocaties
nieto mayor
nieto menor
primer nieto
nieto favorito
nieto recién nacido
AI-gegenereerd