1
zelfstandig naamwoord[C, U]
Een liefdesrelatie tussen twee mensen die met elkaar uitgaan of een vriend en vriendin zijn; de toestand of periode waarin men zo’n relatie heeft.
noviázgo
Uitspraak
Etymologie
Van het Spaanse novio of novia, ‘vriend, vriendin; verloofde, verloofde’, plus het achtervoegsel -azgo, dat toestand, status of relatie aanduidt.
Voorbeelden
Su noviazgo empezó en la universidad.
Su noviázgo empezó en la universidád.
Hun relatie begon op de universiteit.
Después de cinco años de noviazgo, decidieron casarse.
Después de cínco áños de noviázgo, decidiéron casárse.
Na vijf jaar verkering besloten ze te trouwen.
Collocaties
iniciar un noviazgo
mantener un noviazgo
terminar el noviazgo
noviazgo largo
noviazgo formal
AI-gegenereerd