1
zelfstandig naamwoord[C]
Een mannelijke romantische partner; een vriendje.
nóvio
Uitspraak
Etymologie
Van het Latijnse novius, met de betekenis ‘pas getrouwd’, verwant aan novus ‘nieuw’.
Voorbeelden
Mi novio vive en Madrid.
Mi nóvio víve en Madríd.
Mijn vriend woont in Madrid.
Voy al cine con mi novio.
Vóy al cíne con mi nóvio.
Ik ga met mijn vriend naar de bioscoop.
Collocaties
AI-gegenereerd